Het voorrecht van je leven is om te worden wie je werkelijk bent Carl Jung
Studenten gedijen in een omgeving die bevorderlijk is voor de ontwikkeling van hun specifieke talenten en capaciteiten. Aangezien instellingen zoals scholen en universiteiten slechts beperkte middelen hebben om structuren en programma’s af te stemmen op de individuele behoeften van studenten, is het belangrijk om hen te begeleiden naar een school of universiteit die het beste past bij hun respectieve behoeften, of om hen te begeleiden naar een ontwikkelingstraject dat gebaseerd is op op wat er lokaal wordt aangeboden (op hun huidige school of universiteit, of op basis van hun voorkeuren). Als de studenten eenmaal een instelling hebben gekozen, wordt het belangrijk om dit zo snel mogelijk en zo goed mogelijk aan te geven en bij problemen in te grijpen.
Tekenen van een verhoogd risico op voortijdig schoolverlaten worden al in het eerste jaar zichtbaar. Dit is een van de conclusies in het proefschrift getiteld Voortijdig schoolverlaten in Nederland. Een multidisciplinair onderzoek naar risico- en beschermende factoren die voortijdig schoolverlaten verklaren, waarop dr. T. Traag, onderzoeker bij het Centraal Bureau voor de Statistiek, promoveerde aan de Universiteit van Maastricht.
Uit het onderzoek blijkt dat gedrag in het eerste leerjaar een belangrijke indicator is voor gedrag in de rest van de schooljaren. Er is geen reden om aan te nemen dat de middelbare school anders zal zijn. Dit betekent dat pre-scans, of scans zo vroeg mogelijk in de leerloopbaan, een sterke beschermende rol kunnen spelen.
De grafieken en hun conclusies, zoals hieronder weergegeven, zijn niet gemakkelijk te lezen voor leken. We bieden echter wel de grafieken omdat iedereen die bekend is met de methodologie van de Organic ScoreCard kan helpen om de betekenis van de grafieken uit te leggen.
Voordat we naar de cijfers kijken, moet worden benadrukt dat deze scores zijn gebaseerd op zeer beperkte aantallen in een eenmalige scoreronde. Meer groepen en grotere aantallen zullen objectievere resultaten opleveren. De verschillen zijn ook zeer significant. We vertrouwen erop dat toekomstige resultaten voor uniformiteit en duidelijkheid zullen zorgen.
Onderstaande resultaten geven richting en ondersteunen de begeleiding van studenten. De resultaten leveren echter geen ‘bewijs’ op.
We geven ook een korte beschrijving van wat de grafieken vertegenwoordigen. Voor een gedetailleerde invulling van de kleuren en domeinen word je verwezen naar TransMind.
Onderstaande basisprincipes geven je snel inzicht in de grafieken.
De drie kleuren vertegenwoordigen de regio’s in onze hersenen waar ons gedrag vandaan komt.
De 12 domeinen zijn onderverdeeld in drie groepen die de (culturele) perspectieven vertegenwoordigen van waaruit mensen naar zichzelf en hun relatie tot hun wereld kijken: I, WE en IT. Dit gaat over de mate waarin mensen verantwoordelijkheid nemen voor hun leven. Energie steken in het ik-perspectief, verantwoordelijkheid delen in het WIJ-perspectief en loslaten in het IT-perspectief.
Hieronder staan ??de grafieken van leerlingen van de deeltijdgroep 2011 van de Hogeschool Utrecht. Deze grafiek vergelijkt de studenten die doorgingen naar hun tweede jaar met studenten die uitvielen in hun eerste jaar.
Uit de 100% correlatiemetingen blijkt dat de ‘drop-outs’ (Figuur 1) een sterke behoefte hebben aan een vertrouwde en voorspelbare structuur op zich en als facilitering, namelijk vanuit de instelling. Door hun behoefte aan dit soort zekerheden worden ze blijkbaar in slaap gesust, waardoor ze een enorm vertrouwen hebben dat dit hen zal redden.
We weten dat gestructureerd en gedisciplineerd werken voordelen biedt op de middelbare school. Op de middelbare school lijkt het echter alleen te helpen als de discipline van de leerlingen zelf komt. Wanneer de behoefte om ‘bij de hand te worden’ te groot wordt, zoals op de middelbare school het geval kan zijn, kan het hoger onderwijs contraproductief worden.
Dit onderzoek richt zich op deeltijdstudenten. Vandaar dat dit verhaal niet (helemaal) klopt. De scores wijzen echter wel op een sterke behoefte aan innerlijke en uiterlijke structurele ondersteuning. Dit is een fenomeen dat het onderzoeken waard is.
De studenten (Figuur 2) die hun tweede jaar hebben gehaald, hebben allemaal een interessante mix van zelfvertrouwen en een rusteloze drive gemeen, maar zonder het structurele gevoel van de ‘drop-outs’.
In de 75% van de grafieken zien we een meer gedragsmatige beweging: hier versterken de drop-outs hun behoefte om zeker te zijn, te weten waar ze staan ??en wat ze moeten doen. Tegelijkertijd laten ze zien dat ze wat verloren en onzeker zijn tussen de mensen om hen heen.
Figuur 1:
100% correlatie van ‘drop-outs’
Figure 2:
100% correlatie van tweedejaars studenten
Figure 3:
75% correlatie van ‘drop-outs’
Figure 4:
75% correlatie van tweedejaars studenten
Een 100% correlatie van de scores van alle studenten in de referentiegroep toont hun enorme raakvlakken. Een correlatie van 75% van de scores laat zien dat driekwart van de studenten dezelfde scores heeft. 100% bepaalt de onbewuste drive. 75% neigt naar de gedragskant of het zichtbare gedrag dat een groep kenmerkt.